Waarom ik nooit meer naar Amerika ga

Schrijver Niels Gerson Lohman zou na een jaar reizen New Orleans bezoeken, de stad waar zijn vader – die een jaar geleden overleed – een grote liefde voor had. Hij had alleen niet gerekend op de Amerikaanse douaniers.

De Amerikaanse grens

– English version here

‘Wat deed je in Singapore en Maleisië? Zijn dat geen islamitische landen?’
Over mijn schouders zocht hij de bevestiging van zijn collega’s.
‘Maleisië wel, volgens mij. Singapore niet. Dat is een futuristische stad. Airconditioning tot aan het plafond. Naar Singapore ging ik vooral voor het eten. En vanuit Maleisië zijn de vluchten goedkoper.’
‘Sure.’

Na een jaar van reizen naar plekken die het decor zouden moeten vormen voor mijn tweede boek, had ik een laatste, persoonlijke reis geboekt: met de trein van Montreal naar New Orleans, voor mijn vader, die een grote liefde voor New Orleans had gehad en een jaar geleden is overleden. Het voelde als de eerste zinnige reis van het jaar.
Hoewel ik doorgaans mijn reizen niet of nauwelijks plan, had ik dit keer alles geregeld: de treinkaartjes, mijn verblijf en de vlucht terug naar Montreal. In totaal zou ik drie weken wegblijven. De bevestigingen, treinkaartjes en tickets had ik uitgeprint en in een bruine envelop gestopt, die ik speciaal voor de reis had aangeschaft.
Het eerste traject, van Montreal naar New York, staat bekend als een van de mooiste treinreizen ter wereld. Iets over de grens, vlak na het bord ‘Welcome to the State New York’, stopte de trein voor een grenscontrole. Ik legde de bruine envelop op mijn schoot en vulde het migratiepapiertje in. Ik houd van grensovergangen, papieren liegen niet.
De douanier liep langs. Iedereen die niet uit Canada of Amerika kwam, verzocht hij om naar de restauratiewagen te gaan en een groen papiertje in te vullen.
In de restauratiewagen zat een vrolijke familie uit het Midden-Oosten en een Duitser bij wie met gemak een frisbee in zijn mond geschoven kon worden. Ik ging tegenover de Duitser zitten, die zijn formuliertje al ingevuld had. Ik vulde mijn eigen groene papiertje in, met een toewijding die de Duitser hopelijk zou imponeren.

Een douanier hield mijn regenjas omhoog: ‘Wie neemt er nou een jas mee naar Amerika, in de zomer?’ Ik antwoordde dat, als de dijken in New Orleans weer zouden breken, ik tenminste droog zou blijven.

De douanier nam het papiertje van de Duitser in ontvangst, heette hem welkom in Amerika en wisselde met hem van plaats. Hij legde zijn handen op tafel en keek me even aan. We moesten dezelfde leeftijd hebben. Hij had een ringbaardje en schoof mijn paspoort naar zich toe alsof het een cadeautje was.
Mijn boek was nog niet af, maar mijn paspoort wel; het stond vol mooie stempels.
De stempels bevielen hem niet.
Bij een stempel van Sri Lanka trok hij zijn wenkbrauwen op.
‘Sri Lanka, wat deed je daar?’
‘Surfen. Reizen. Mijn beste vriend woont daar. Hij is architect.’
De douanier bladerde verder en vond mijn visum voor Jemen, een waar kunstwerk.
Hij legde mijn paspoort neer en keek me aan.
‘Wat deed je in godsnaam in Jemen?’
‘Ik ben naar Socotra geweest. Het is een eilandje dicht bij Somalië, een soort Galapagos van het Midden-Oosten. Vijfentachtig procent van de planten en dieren daar komt alleen op dat eiland voor.’
‘Was je niet bang?’
‘Ja. Ik was bang. Het vliegveld waarop ik overstapte, is een paar weken geleden ingenomen door Al Qaeda.’
De officier bladerde niet verder.
Ik moest ik mijn koffer openmaken. Zes douaniers bekeken mijn twee telefoons, mijn iPad, laptop en fotocamera. In mijn portemonnee vonden ze een SD-geheugenkaart die ik vergeten was. Inmiddels was ik de enige in de restauratiewagen.

De Amerikaanse grens

Er zat een regenjas onderin mijn koffer. Ik had gehoord dat het flink kon stormen in New Orleans.
Een douanier hield mijn regenjas omhoog: ‘Wie neemt er nou een jas mee naar Amerika, in de zomer?’
Ik antwoordde dat, als de dijken in New Orleans weer zouden breken, ik tenminste droog zou blijven.
Ze zwegen.
De douanier liet mijn jas als een vaatdoek naast mijn koffer vallen. Hij wisselde blikken uit met zijn collega’s.
‘We willen je nog wat vragen stellen, maar de trein moet verder. We gaan er hier uit.’
Ik keek naar buiten. Langs het spoor stonden stapels rottende pallets. Geen station te zien.
‘Zet u me daarna nog op een andere trein?’
‘Dit is de enige trein. Maar als we besluiten om je binnen te laten, zetten we je op een bus. Maak je geen zorgen.’
Ik begon me zorgen te maken.
Ik pakte mijn koffer zo snel mogelijk in en werd uit de trein geëscorteerd. Drie voor, drie achter. Mijn koffer was te breed voor het gangpad. Ik verontschuldigde me tegenover de trein en keek niemand aan. De douaniers bleven geduldig staan en bestudeerden de band tussen mijn koffer en ik.
We stopten bij een wit busje. Ik mocht mijn koffer achterin tillen en wilde in het busje stappen, maar de officier hield me tegen: ‘We arresteren je niet. Je hoeft helemaal niet bang te zijn. Maar we willen je wel graag even fouilleren.’
‘Ik ben niet bang. U doet gewoon uw werk. Maar het is wel alsof ik in een film ben gestapt.’
Dat leek me de juiste houding. Ze fouilleerden me voor de eerste keer.
Voordat ik in het busje stapte, moest ik mijn telefoons afgeven. Ik kreeg mijn gordel niet dicht, een douanier deed het voor me.

In een gebouwtje van golfplaat maakte ik mijn koffer weer open. Achter me zat een man in tranen. Een douanier legde hem uit wat voor gevangenisstraf hij kon verwachten. Hij had geprobeerd cocaïne te smokkelen. Het klonk alsof het om een aanzienlijke hoeveelheid ging.
Daarna werd ik nogmaals gefouilleerd. Ditmaal op de doortastende wijze, zoals in de films.
In het kamertje ernaast probeerden ze mijn vingerafdrukken af te nemen. Mijn handen waren te klam. Een douanier zei:
‘Hij is bang.’
‘Ja. Hij is bang.’ Zei een andere douanier.
Ik zei, in de hoop ontwapenend te zijn: ‘Dit is net als in de films.’
Maar douaniers laten zich niet zo snel ontwapenen.

In de vijf uur die daarop volgden, werd ik nog tweemaal ondervraagd. Tijdens de eerste ronde vertelde ik de hoogtepunten uit mijn levensloop, het plot van mijn tweede boek, de naam van mijn uitgever, bank en makelaar in Nederland. Samen liepen we door alle foto’s en berichten op mijn telefoons van de afgelopen weken. Ze noteerden de namen van iedereen met wie ik contact had gehad. In mijn illegale software en films hadden ze geen interesse.
Tijdens de tweede ronde kwam de religie van mijn ouders ter sprake. Ik vertelde dat mijn moeder katholieke ouders had, en dat mijn vader een atheïstische moeder en een joodse vader had gehad.
‘We don’t understand. Why would a Jew go to Yemen?’
‘But… I’m not Jewish.’
‘Yeah, well. We just don’t understand why would a Jew go to Yemen.’
Ik liet ze weer de foto’s van Jemen zien en legde ze uit hoe bijzonder de flora en fauna daar was. Dat de dolfijnen in het ondiepe aan je komen snuffelen en je er een kreeft voor een paar dollar kan kopen. Ik liet ze de drakenbloedbomen zien en de bedoeïenen waar ik geiteningewanden moest eten. Ze vonden het maar niks.
‘You yourself, what do you believe in?’
Ik dacht even na en antwoordde: ‘Nothing, really.’
Als ik op mijn woorden moet letten, zeg ik doorgaans de verkeerde dingen. Wat ik had moeten zeggen: ‘Freedom of speech.’

Er werden telefoontjes over me gepleegd. Zo nu en dan kwamen de douaniers me om een pincode of een wachtwoord vragen van mijn apparatuur. De smokkelaar was inmiddels afgevoerd naar een cel waar waarschijnlijk wele en toilet was. Een douanier die ik nog niet gezien had, gooide de deur open en vroeg of ik op de Greyhound naar New York zat. Ik haalde hoopvol mijn schouders op en keek hem vragend aan. Hij deed de deur weer dicht, alsof hij de verkeerde kamer was binnengegaan.
Twee douaniers stormden mijn wachtkamer binnen. ‘Pak je tas in. Zorg dat je alles hebt.’
Ik kreeg mijn telefoons terug. Alle apps waren geopend. Ik had mijn telefoons nog niet gebruikt, maar de batterijen waren vrijwel leeg.
Omdat ik doordrenkt was geraakt van het angstzweet, probeerde ik tijdens het inpakken van mijn tas snel van T-shirt te wisselen. Ik kreeg de indruk dat ik het gehaald had.
‘Hoe laat vertrekt de bus?’
‘Dat weten we niet’.

Om me te straffen voor mijn hoogmoed boekten ze vanuit Amsterdam een christelijke B&B in Montreal voor me. Die nacht sliep ik tussen stapels Bijbels en onder het toeziend oog van een bloedende Jezus.

Ik kon de ingang van mijn schone shirt niet vinden. Ik hield het met twee handen boven mijn hoofd, als een witte vlag die ik aan het wapperen probeerde te krijgen.
‘Wat is de uitslag?’
‘We geloven dat je meer banden hebt met landen waar we niet op goede voet mee zijn dan met je eigen land. We hebben besloten om je niet binnen te laten. We brengen je terug naar de Canadese grens.’
In de auto zeiden we niets tegen elkaar. Het had geen zin. Ik was op. Tegen de Canadese douanier zeiden de Amerikanen: ‘We hebben er weer een. Deze komt uit Nederland.’
De Canadese douanier vroeg of ik iets nodig had. Ik zei dat ik wel een kopje koffie en een sigaret kon gebruiken. Ze vertrok naar een achterkamer met mijn paspoort en kwam vijf minuten later terug met een nieuwe stempel in mijn paspoort, koffie, een sigaret en een kaartje voor de eerstvolgende bus terug naar Montreal.

Ik ben eens flink uitgescholden aan een Chinese grens. In Dubai is mijn paspoort een uur lang vakkundig bestudeerd door drie achterdochtige gesluierde vrouwen en is mijn koffer opengereten. In de Filippijnen heb ik steekpenningen moeten uitdelen om mijn visum met een paar dagen te verlengen. Grenzen zijn altijd moeilijk, vooral in corrupte landen.
Maar ik ga nooit meer naar Amerika.
Terwijl ik aan de grens stond te wachten, realiseerde ik me dat ze nooit naar de reden van mijn reis hadden gevraagd. Ik belde met het laatste streepje op mijn telefoon naar mijn vrienden in Amsterdam. Om me te straffen voor mijn hoogmoed boekten ze vanuit Amsterdam een christelijke B&B in Montreal voor me. Die nacht sliep ik tussen stapels Bijbels en onder het toeziend oog van een bloedende Jezus. Dat was sadisme van een vorm die ik wel kon waarderen.

Niels Gerson Lohman is schrijver van ‘Een rijk alleen’.